Deze test bestaat uit 3 onderdelen: chemie, biologie en fysica. Elk onderdeel telt 10 vragen die je in 20 minuten dient op te lossen. Voor de meerkeuzevragen is telkens slechts één antwoord juist. Je kan wisselen van vragenreeks door gebruik te maken van de pijlen in de blauwe balken boven en onderaan. De score heeft maar betrekking op de vragen waarvoor je een antwoord invult. Voor een exact beeld moet je dus ALLE vragen beantwoorden!
![]() |
De figuur is een schema van de synthese van ammoniak en van enkele nuttige
nevenproducten. Wanneer E = lucht, dan is het gas J =
Gegeven zijn de volgende relatieve atoommassa's: H = 1, N = 14, O = 16 en S = 32. Bereken het massaprocent stikstof in ammoniumsulfaat (tot op 2 decimalen).
Men doet bij 20 °C een overmaat calciumcarbonaat bij een kleine hoeveelheid van een verdunde waterstofchlorideoplossing. Er wordt een zekere hoeveelheid koolstofdioxide geproduceerd.
Men herhaalt het experiment, maar brengt wel één wijziging aan. Nu wordt slechts de helft van de oorspronkelijke hoeveelheid koolstofdioxide geproduceerd.
De doorgevoerde wijziging bestond uit:
Een element heeft als atoomnummer 53. Geef de naam van de hoofdgroep waartoe dit element behoort.
![]() |
Om corrosie van ijzer of staal te beletten kan men deze bedekken met een laagje zink (= galvaniseren). Ook tin wordt vaak gebruikt om blik tegen roesten te beschermen.
Wanneer men de zinken beschermlaag krast zodat het ijzer komt bloot te liggen,
dan begint het ijzer niet dadelijk te roesten. Dit is wel het geval wanneer
de tinnen beschermlaag wordt beschadigd; meer nog, het ijzer corrodeert zelfs
sneller dan zonder contact met het tin. Als je nu weet dat zink makkelijker
positieve ionen vormt dan ijzer, en dat ijzer makkelijker elektronen afstaat
dan tin,
dan kan je uit het voorgaande afleiden dat
![]() |
De molaire massa van zwavelzuur = 98 g/mol. Men heeft 100 ml van een 0,1 molaire zwavelzuuroplossing. Hoeveel ml water moeten we toevoegen om een oplossing te bekomen die 4,9 g/liter zwavelzuur bevat?
Butaangas is een gas dat o.m. gebruikt wordt in aanstekers. Het brandt volgens onderstaande, niet gebalanceerde (!) reactievergelijking:
Hoeveel mol koolstofdioxide wordt geproduceerd bij de verbranding van 11,6 g butaangas? (relatieve atoommassa's: C = 12, O = 16, H = 1)
Welke van volgende stoffen beantwoordt het best aan de omschrijving: "een reusachtige covalente structuur"?
Twee elementen, A en B behoren tot dezelfde periode in het periodiek systeem. Het element A staat in een reactie gemakkelijk twee elektronen af en het element B neemt in een reactie gemakkelijk één elektron op.
Welke van volgende beweringen is de juiste?
De kans op een reactie tussen twee stoffen staat rechtstreeks in verband met de kans op effectieve botsingen tussen de samenstellende deeltjes.
![]() |
Bij evenwichtsreacties treden zowel effectieve botsingen op tussen de reagentia als tussen de reactieproducten. Welke invloed zal
a) een drukverhoging
b) toevoegen van de stof B
hebben op de ligging van het evenwicht bij volgende reactie? (A, B en C zijn
gasvormig bij de reactietemperatuur)